In het dagelijks leven kom je veel verschijnselen tegen die met licht te maken hebben. Sommige zijn zo vanzelfsprekend dat je er niet bij stilstaat. Een muur kun je bij daglicht van alle kanten zien, maar in het donker zie je niets. Een regenboog zal echter altijd je aandacht trekken.
Licht ontstaat in een lichtbron. Enkele bekende lichtbronnen zijn:

Lichtbronnen verschillen in sterkte en in kleur. Het licht van de zon is fel en helder wit. Het licht van een gloeiende staaf is zwak en rood gekleurd.
De maan is géén lichtbron, want deze maakt zelf geen licht. Je ziet de maan, omdat deze zonlicht terugkaatst. Maar dan zie je natuurlijk alleen dat deel dat door de zon beschenen wordt.

Het licht dat in een lichtbron ontstaat, beweegt langs een rechte lijn door de ruimte. We zeggen dat licht zich voortplant langs een rechte lijn. Een zeer smalle lichtbundel, zoals een laserbundel, noemen we een lichtstraal.

We kunnen een lichtstraal tekenen als een rechte lijn. De pijl geeft aan in welke richting het licht beweegt.


Meerdere lichtstralen samen vormen een lichtbundel.
Licht beweegt met een enorme snelheid door de ruimte. In één seconde legt het licht een afstand af van 300 000 km. De zon staat op 150 miljoen kilometer van de aarde vandaan. Een lichtstraaltje doet er dan 8 minuten en 20 seconden over om de aarde te bereiken. De maan staat op 384 000 kilometer van de aarde vandaan. Een lichtstraaltje heeft voor die afstand iets meer dan één seconde nodig.
Sterren staan zo ver weg dat het licht er vele jaren, soms vele miljoenen jaren, over doet om de aarde te bereiken.
Een lichtbundel is opgebouwd uit heel veel lichtstralen.
Als de lichtstralen uit elkaar lopen, spreken we van een divergerende lichtbundel.

Een bundel waarvan de stralen evenwijdig lopen, noemen we een evenwijdige bundel.

Lopen de lichtstralen naar elkaar toe, dan hebben we een convergerende bundel.
